Zonder olie in de Pijp

» Download “In de Pijp zonder olie” als PDF

De bewoners eten aardappelen van eigen bodem, betrekken hun energie van drie zonnecellen en hebben een ecologisch toilet. ‘Vrijstaat’ Swomp in de Rustenburgerstraat bereidt zich voor op een leven onafhankelijk van olie.

Amsterdam 2025. Er staan windmolens op gebouwen. In de straten groeien fruit- en notenbomen. Elke buurt heeft een moestuin en composthoop. In de supermarkt zijn bijna uitsluitend lokale producten te krijgen. Auto’s worden gedeeld en er zijn nóg meer bakfietsen.

Het klinkt idealistisch, bijna utopisch, maar volgens de initiatiefnemers van transition towns wordt dit scenario de nieuwe realiteit. Transition towns bereiden zich voor op de overgang naar een wereld die onafhankelijk is van olie.

“Het huidige systeem is failliet,” zegt Auke Bakker. Hij is een van de aanjagers van de beweging in Amsterdam. “We zijn vervreemd van de natuur en leven in een welvaart die draait op een overvloed aan goedkope energie. Over tien jaar is de oliepiek bereikt. Dat betekent het einde van de geïndustrialiseerde samenleving zoals we die nu kennen.”

De transition-beweging kent een vliegende start: zij begon in 2006 in het Zuid-Engelse hippiestadje Totnes, op initiatief van duurzaamheidsgoeroe Rob Hopkins. Elke week komen er gemeenschappen bij. De teller staat nu op 170.

Transition towns drijven op moderne communicatie, een strak ondernemingsplan en het gevoel dat nú iets moet gebeuren. De handleiding van Hopkins is te downloaden van internet en het aanbod aan ‘bewustwordingsfilms’ lijkt alleen maar te groeien. Auke Bakker: “Wij willen dat burgers weer invloed krijgen op hun leefomgeving en minder afhankelijk zijn van olie. Dat kan door minder energie te verbruiken, duurzame energie op te wekken en lokale productie en consumptie te stimuleren. Waarom zou je aardappels uit Israël eten als een lokale boer ze ook kan telen?”

Vrijstaat Swomp (‘Slimme woonwagenbewoners op mooie plekjes’) aan de Rustenburgerstraat is de eerste transition town in Amsterdam. De bewoners hebben hun eerste aardappels al geoogst. Na de kraak vorig jaar zomer ploegden ze het sloopterrein naast een school om tot proeftuin. Zij stortten kruiwagens vol vruchtbare grond op de vervuilde zandvlakte en legden groentetuinen aan, een waterput en ecologisch toilet. Alle elektriciteit komt van drie zonnecellen. Dat doet overigens niks af aan het volume van de radio. ‘De bom’ van Doe Maar klinkt stemmig over het terrein als kraker Anne een rondleiding geeft langs met stenen en planken afgezette perken, die groen zien van de boerenkool. Anne: “Als we genoeg oogsten, organiseren we een etentje voor de buurt.”

Auke Bakker benaderde begin dit jaar de ecologische krakers om het transitie-initiatief op te starten in De Pijp. “De vrijstaatbewoners gingen aan de slag vanuit het hart van een bestaande omgeving met de hulpbronnen die daar voorhanden zijn. Dat is de kern van de overgangsbeweging.” Anne: “Wij willen niet alleen voor eigen parochie preken, maar samen met bewoners werken aan een groenere stadswijk.” Dat de kistjes, hanenkammen en dreadlocks een zekere afstand creëren, beschouwen de groene hervormers als drempelvrees van tijdelijke aard. Anne: “Onze kerngroep bestaat niet alleen uit krakers. En de meeste bewoners hebben liever een moestuin voor hun deur dan een gapend gat waar honden worden uitgelaten.”

Maar hoe zet je die veranderingen in gang? Er zijn twaalf stappen die je moet doorlopen om een transition town te worden, legt Auke Bakker uit. Je begint met bewustmaking en het mobiliseren van de buurt. “De mythe van de oneindige groei moet worden doorgeprikt.” Vervolgens werk je samen met lokale bedrijven, de overheid en woningcoöperaties aan een plan om het energieverbruik te verminderen. “Met windmolens alleen redden we het niet.”

Hoe lang de transitie in De Pijp gaat duren, kan Anne niet inschatten. “We zijn nog in oprichting. Maar we proberen de buurt zoveel mogelijk te betrekken bij onze manier van leven. We helpen bij het aanleggen van geveltuintjes, geven workshops over composteren en houden wekelijks een klimaatspreekuur in het wijkcentrum. Stel dat je graag zonnecellen op je dak wilt, maar de subsidieaanvraag loopt stuk op gemeentelijke bureaucratie, dan zoeken wij uit wat je het beste kunt doen.”

Storm loopt het nog niet, maar buurtbewoners zijn volgens Anne wel benieuwd. “Sommigen maken een praatje of brengen hun groenafval naar onze composthoop.”

Intussen komen er ook nieuwe initiatieven bij. “In de Balistraat zijn bewoners bezig met energiezuinige straatverlichting en op het WG-terrein willen bedrijven en bewoners hun energieverbruik terugschroeven.” Volgend jaar hoopt Bakker dat de teller op vijftien staat in Amsterdam. “Al doet maar tien procent van de stad mee, dan is dat al meer dan aan welke politieke partij dan ook.”

De komst van transition towns is geen doemscenario, benadrukt hij. “Natuurlijk zullen we moeten leren leven met minder luxe. Maar het afkicken van olie biedt ook de kans de buurt te herontdekken, voor elkaar te zorgen en zelfredzamer te worden. Je kunt een auto delen of voedsel afnemen bij een lokale boer. Van ouderen kunnen we vaardigheden leren als het inmaken van jam. We hebben de grenzen van onze technologie leren kennen. Het is tijd voor een nieuwe visie.”

‘Kleine stappen’

Gert Spaargaren, hoogleraar milieubeleid aan de Wageningen Universiteit

Binnen de milieubeweging is er altijd een onderstroom geweest van mensen die zich bezighielden met het verbouwen van eigen voedsel, verwerken van afval en opvangen van regenwater. Transition towns verbreiden zich sinds de nieuwe groene golf via internet als een olievlek. De beweging heeft de technologie mee. Zonne-energie neemt op grote schaal toe. En burgers staan open voor alternatieve energie en meer natuur in de wijk. Maar ik plaats mijn vraagtekens bij het streven naar een meer lokale zelfvoorzienende maatschappij. Het is wel te verklaren. Hoe meer globalisme, hoe meer lokalisme. Ook uit angst voor identiteitsverlies. Maar de romantische hang naar een pre-industriële samenleving staat te ver af van een moderne levensstijl. De meeste mensen willen niet soberder leven of terug naar een gemeenschapsleven waar composthoop, kerk en kruidenier op loopafstand zijn. Je kunt niet zomaar de wereld op slot doen. We zijn internationaal te afhankelijk van elkaar.”

Jan Heijns, beleidsadviseur Milieucentrum Amsterdam

“Het positieve aan transition towns vind ik dat ze niet blijven hangen in geklaag over bedreigingen. Ze dóen wat en zijn oplossingsgericht. Dat spreekt burgers aan. De smeltende ijskappen op de Noordpool zijn te ver weg. Maar het regelen van energiezuinige straatverlichting in je buurt is veel concreter. Als je iets wilt, kán het. Daarbij schuwen ze het contact met de lokale overheid niet. Voor het slagen van veel plannen zijn ze in hoge mate afhankelijk van de stedelijke infrastructuur. Het zijn kleine stappen naar een groenere wereld. Ik denk niet dat je in de stad helemaal tot het uiterste kunt gaan bij zelfvoorziening. Ten eerste zijn er andere ruimtevragers. Wil je een parkeerplek voor je deur of een moestuin? Ten tweede zou in Amsterdam de helft van de energie zelf kunnen worden opgewekt. En waar haal je dan de rest vandaan? Uit Rusland? Uit een windmolenpark in de Noordzee?”

Dit bericht was geplaatst inMijn werk. Bookmark the permalink. Zowel reacties als trackbacks zijn gesloten.