Wallenkoning

In het rode schijnsel, naast de dames van lichte zeden en voor de ingang van Casa Rosso staat een forse gestalte met grijze, golvende manen. De argeloze voorbijganger zal denken aan een uitsmijter. Maar intimi weten dat Jan Otten (59) één van de grote jongens op de Amsterdamse Wallen is.

Zijn imperium reikt van Casa Rosso en Theater 97 tot het seksmuseum en de Bananenbar, allemaal gelegen aan de Oudezijds Achterburgwal, de hoofdstraat van het Amsterdamse red light-district. Duizenden toeristen lopen hier jaarlijks de deur plat en dragen bij aan een miljoenenomzet. Maar hoe groot zijn succes ook is, Jan Otten sluit zich niet op in een ivoren toren. De seksexploitant staat met beide benen op de grond, voor de deur van het door hem zeer gekoesterde Casa Rosso. “Dit is een kantoor op maat”, lacht hij. “Ik ben dicht bij de klant, de portiers en de kassa, en heb een eersteklasuitzicht op het straatleven. Niets ontgaat me. Ook het binnengebeuren niet.” Hij wijst naar de camera’s.

Terwijl hij praat, lokt de Wallenkoning de toeristen naar zijn roze kasteel. “Kom binnen. Komt dat zien!” Hij wenkt naar een jong stel dat twee kaartjes voor de live-pornoshow heeft gekocht. Otten drukt op een knopje en de zwarte deur achter hem springt open. Hij stopt de glimlachende klanten twee rolletjes pepermunt toe. “Viagrapillen”, grapt hij. “Haha. Have a nice time!” Otten dempt zijn onvervalste Amsterdamse stemgeluid. “Hier voor de deur staan is veel leuker dan al dat geneuk binnen. Ik vind het contact met het publiek heerlijk. Als ik in de zaal rondstruin, maak ik de artiesten alleen maar zenuwachtig. Het baas-effect, noemen ze dat.”

Otten heeft geen duidelijke verklaring voor zijn succes. Hij vermoedt dat het aan de eenvoud ligt. “We zijn een écht Amsterdams bedrijf gebleven en altijd straight geweest tegenover onze medewerkers en klanten.” Een strategie heeft de erotiekkoning niet. “Ik laat altijd alles op me afkomen. Ik zie het wel. Ik heb ook niet gestudeerd. Hooguit wat seks-Engels op straat geleerd.” Studeren vindt Otten dan ook zonde van de tijd. “Ik denk dat je beter eerst werk kunt zoeken. Vanuit de praktijk kun je dan verder leren. Maar dat is mijn simpele visie.”

Zijn geschiedenis is die van een self-made man. Meer dan dertig jaar geleden begon Otten als kaartjesverkoper bij Casa Rosso. “De club sponsorde toen het worstelteam, waar ik in zat en zodoende kwam ik aan die bijbaan.” Later werd hij portier. De jonggediende leerde het klappen van de zweep kennen en klom – na al een carrière als melkboer, bloemenventer en opticien te hebben geprobeerd – langzaam op tot seksexploitant.

De rosse buurt bleek zijn thuis te zijn. “Mijn business hoort hier, op de Wallen, bij dit sfeertje. Casa Rosso kun je niet zomaar in Buitenveldert zetten. De coffeeshops, de winkels, de clubs, de prostituees: iedereen heeft hier zijn eigen dorp, zijn eigen belangen, maar er is geen haat en nijd. We letten op elkaar. Als er bijvoorbeeld vals geld in omloop is, belt iedereen dat door. En als mijn klanten het zicht op mijn buurvrouw ontnemen, stuur ik ze richting gracht. We moeten er allemaal van leven.”

Madurodam

In de begindagen van Ottens loopbaan vormden de Wallen een nog wat schimmig en onherbergzaam decor, waar met name de penoze en societyfiguren op de rode lichten afkwamen. Nu gonst de buurt van de toeristen. In de ogen van critici lijken de Wallen inmiddels meer op een soort Madurodam dan op een pikante stadszone; de charme van dertig jaar terug is overwoekerd door commercie. Jan Otten knikt behoedzaam. “Wat de mensen ook zeggen, iedereen eet ervan. Die toeristen brengen 480 miljoen per jaar binnen. Als je die busladingen nu gaat weren, zitten we hier met z’n allen op onze reet.”

Hij is even stil. “Ik moet natuurlijk uitkijken met wat ik zeg. Maar in alle eerlijkheid: het is wel zo dat de buurt vroeger een bepaald soort charme had. Mannen liepen in pak; je zag geen rugzaktoeristen, geen junks. Ik denk dat het Amsterdamser was dan nu. Je sloeg bij wijze van spreken een café kort en klein en bestelde er een dag later weer gewoon een bier. Ik vond het gezelliger toen.”

De jaren zestig en zeventig waren de bloeitijd van prostitutie en pornografie. De contouren van de Amsterdamse Wallen werden getekend door de eerste clubs en seksshops. En mannen als Henk de Kat en Zwarte Jopie hielden als ware godfathers de regie in handen. Jopie was Ottens vroegere baas.

Een woeste man, weet de seksbaas zich nog te herinneren. “Mensen waren bang voor hem. De roze olifant van Casa Rosso, ons logo, doet me altijd een beetje aan hem denken. Als iemand de Wallen gemaakt zou hebben, is dat Joop. Ik ben er trots op dat ik hem heb gekend.”

Otten ziet echter in de roemruchte Zwarte Jopie geen leermeester. “Zakelijk gezien heb ik weinig van hem opgestoken. Ik ben voor openheid; hij hield alles en iedereen op afstand. Cameraploegen kwamen de deur niet in. Portiers mochten met niemand praten. Hij kon ook moeilijk nee tegen mensen zeggen, waardoor er weleens misbruik van hem werd gemaakt. Maar hij had ook zeker zijn sluwe kanten. Jopie was een van de eersten die experimenteerde met real-life shows. Hij wilde meer laten zien dan een bosje schaamhaar. Vrouwen moesten ín hun tuintje laten kijken. Maar neuken op de bühne was toen nog niet toegestaan. Dus op de vierde etage van zijn striptent richtte hij een zogenaamde privéclub op die erg makkelijk toegankelijk was. Je entreebewijs voor de striptease was tevens het lidmaatschap van de privéclub.”

Huis-, tuin- en keukenseks

Jan Otten ziet zichzelf niet graag als een pornobaas, hij is een showman. Hij spreekt ook liever van erotisch entertainment dan van live-porno. “Onze klanten kijken naar seks; ze doen er niet aan mee.” Het kinky-publiek zal zijn imperium niet snel opzoeken. “Wat wij bieden is huis-, tuin- en keukenseks. Geen gestoorde dingen. Seks moet lekker gewoon zijn. De meeste mensen die hier komen, hebben nog nooit eerder naakt buiten de deur gezien. Die moet je niet te veel willen choqueren.”

Het leuke van directeur zijn, vindt Otten dat hij zijn creativiteit, zijn gevoel in de shows kwijt kan. Op een bijna Joop van de Ende-achtige wijze heeft hij zijn voorstellingen aangekleed. “Vroeger zat de performer in de kleedkamer aan zijn pik te trekken, liep met een stijve het toneel op, er was één spot op hem gericht en het gebeurde meteen. Nu is er goede belichting, een mooi decor en heeft iedere acteur een eigen act, met bijbehorende kostuums. Het is veel meer theater geworden. Zo hebben we een mannetje dat Batman doet. We hebben een act met ridders. De fantasie van het publiek wordt meer geprikkeld.”

Zelf wordt Otten niet echt opgewonden van zijn shows. “Mensen denken dat je een vies mannetje bent als je in deze business zit, maar het doet me geen reet. Ik kijk ernaar als werk, als een product. Het zou toch van den zotte zijn als ik elke keer met zó’n plasser rondloop als ik in de zaal ben.”

Ook buiten zijn werk wil Otten zichzelf geen wildeman meer noemen. Hij prefereert een monogame relatie en is gelukkig getrouwd met een voormalige stripteasedanseres. Hij haalde haar ooit van het podium af. “Ik werd jaloers. Ik kon het niet meer verdragen dat anderen naar haar konden kijken.”

Over het seksleven van Nederlanders in het algemeen heeft Jan Otten niet echt een mening. “Wat weet ik wat andere mensen thuis doen? Van ‘Turks Fruit’ zullen ze niet meer wakker liggen, dat is duidelijk. Maar verder…”

Hij loopt weer naar zijn plek voor de deur. “De portiers zullen me wel gemist hebben”, lacht hij. En inderdaad: “Heee Jan, wat was je lang weg”, roept er een. “Wat heb je die journaliste allemaal wijsgemaakt?” Otten trekt een brede grijns.

Aan stoppen denkt de koning van de Oudezijds Achterburgwal voorlopig niet. “Waarom zou ik stoppen? Ik heb het hier naar mijn zin. Thuis doe ik toch nooit iets, ben ik maar een dooie lul. En wie weet: misschien is er wel geen leven na Casa Rosso.” Hij knipoogt naar de caissière met wie hij al bijna dertig jaar samenwerkt. “Mijn plek is hier voor de deur, onder de mensen. Of ik van mensen hou? Ik hou van vrouwen, dus misschien ook wel van mensen.”

Trots demonstreert hij de mogelijkheden van zijn ‘kantoor’. “Zie je die vent daar lopen?”, fluistert hij. “Die krijgt de volle lading.” In het geniep drukt Otten op een knopje achter zich. De guitige olifant die voor de deur staat, naast de fallusfontein, blijkt opeens het verzetje van de baas te zijn. Gewoon een beetje toeristjes pesten. Uit de roze slurf komt een kleine, maar doeltreffende waterstraal die de niets vermoedende passant natspuit. Otten kijkt naar het verbaasde gezicht van de man en heeft samen met zijn portiers de grootste lol. “Ik ben eigenlijk nooit volwassen geworden.”

Dit bericht was geplaatst inMijn werk. Bookmark the permalink. Zowel reacties als trackbacks zijn gesloten.