De weeffouten van het vmbo

Een school voor andermans kinderen

Het draait allemaal om het opleidingsniveau van de ouders. Problemen in klassen zijn problemen van sociale klasse. Journalist Anja Vink benadert in haar boek ‘Witte zwanen, zwarte zwanen’ de zwarte scholenproblematiek vanuit een opmerkelijke invalshoek. De analyse van socioloog Rineke van Daalen in het onlangs verschenen boek ‘Het vmbo als stigma’ sluit hier naadloos op aan; haar onderzoek gaat aan dat van Vink vooraf. Van Daalen is op zoek gegaan naar de oorspronkelijke doelstellingen van het vmbo. En de conclusie is helder: het systeem barst van de weeffouten. Een dubbelinterview.

De invoering van het vmbo, waarin lbo en mavo werden samengevoegd, was de zoveelste onderwijsvernieuwing in de jaren negentig. Maar nooit eerder waren er zoveel leerlingen bij betrokken. Ga maar na: 54 procent van de jongeren tussen de 12 en 16 jaar gaat naar het vmbo. Er veranderde achteraf te veel in een te korte tijd, beamen de hervormers. Al vanaf de invoering in 1999 wordt het schooltype in de media steevast als een afvoerputje afgeschilderd. Er was een toenemende concentratie van probleemleerlingen, leraren waren nauwelijks goed toegerust en er was te weinig tijd voor hulp en begeleiding.

De oorsprong van deze hervorming is terug te voeren op de slechte aansluiting met de arbeidsmarkt. Het bedrijfsleven klaagde over het te lage niveau van het toenmalige lager beroepsonderwijs (lts, leao, lhno), beschrijft Vink in haar boek. De lbo’ers konden weliswaar een spijker in een plank slaan, maar de basiskennis die nodig was in een snel veranderende kennissamenleving ontbrak volgens de werkgevers. De toenmalige mavo-leerling had die basiskennis wél in huis, maar kon geen spijker in een plank slaan. Meer praktijk voor de een en meer theorie voor de ander, luidde het advies.

Om deze veranderingen vorm te geven, werd een complex systeem bedacht, laat Rineke van Daalen in haar boek zien: vier leerwegen gekoppeld aan de verschillende niveaus van leerlingen. Het systeem werd nog complexer toen staatssecretaris Tineke Netelenbos besloot kinderen met leer- en gedragsproblemen van het speciaal onderwijs op te nemen in het vmbo. De kleinere scholen voor moeilijk lerende kinderen werden te duur en kampten ook met een imagoprobleem. Het zogenaamde leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) kwam daar voor in de plaats. Vmbo-scholen kregen extra geld voor deze zogenaamde zorgleerlingen.

Deze complexiteit zorgde voor een zeer uiteenlopende schoolpopulatie. Dé vmboleerling bestaat dan ook niet, benadrukken beide onderzoekers. Het is relatief gezien een kleine groep die voor de negatieve beeldvorming zorgt. Vaak mannelijke, technisch georiënteerde schoolverlaters zonder motivatie, discipline, vaardigheden en veelal met een lwoo-indicatie beschrijft Van Daalen in haar boek.

Rineke, jij wilde het schrikbeeld nuanceren. Is dat gelukt?

“Door een jaar lang een middag per week als onderwijshulp op een Amsterdamse vmbo-school mee te lopen, hoopte ik verder te komen dan krantenstukken, inspectierapporten en beleidsnota’s. Ik wilde weten waar die stigmatisering vandaan kwam en er open instappen. Dat had ook een goed effect. Ik leerde de kinderen kennen en zag waar de leraren mee bezig waren. Later heb ik mezelf wel gecorrigeerd en me ook meer opengesteld voor de negatieve kanten. Mijn boek is geen positief relaas. En dan ben ik nog heel terughoudend geweest. Ik zag dat docenten het heel erg probeerden, maar niet slaagden. Ik vond het pijnlijk om te zien dat sommige leerkrachten zich zo beperkten tot het afvinken van opdrachten. Ze waren te veel bezig met het niveau van de leerling en te weinig met hun ambitie. Zelden prikkelden ze leerlingen over hun toekomst na te denken. De lat ligt veel te laag en dat bevestigt het beeld dat jongeren vooral op het vmbo zitten omdat ze iets niet kunnen.”

Anja, jouw boek is verontwaardigder van toon.

“Dat klopt. Rinekes boek is veel rustiger. Mijn boek is bozer, minder afstandelijk. Ik moet zeggen dat de school waar jij hebt rondgelopen, Rineke, ook nog vrij paradijselijk klinkt. Jij zat nog in lessen waar lesgeven werd. Het had er althans de schijn van. Bij mij was er niet eens sprake van lesgeven. Ik stond daar net als veel collega’s zonder lesbevoegdheid en kon helemaal geen orde houden. Ik was echt ontdaan na mijn ervaringen op het Augustinus College. Ik dacht: wat leren kinderen op een school waar alle klasgenoten een achterstand hebben en leraren vaak onbevoegd zijn? Dit gebrekkige onderwijs zorgt ervoor dat deze kinderen worden opgeleid voor een marginaal bestaan. Ik kwam op scholen waar die boodschap vaak onbedoeld werd uitgedragen: jullie zitten in het putje.”

Wat zijn de belangrijkste weeffouten van het vmbo?

Vink: “Er heeft om te beginnen een schijnhervorming plaatsgevonden. Hét vmbo bestaat niet. Vaak zijn de toenmalige lboscholen met een slechte naam een vmbo met een slechte naam geworden en de mavo’s haalden niet eens het bord van de gevel. Ze bestaan apart of samen met een havo- vwo. Ze wilden niet bij het vmbo horen. Er is eigenlijk niets wezenlijk veranderd in die tien jaar. We hebben hooguit de concentratie van moeilijke leerlingen op moeilijke scholen in moeilijke wijken aan het mbo doorgegeven.”

Van Daalen: “Het vmbo biedt nog steeds weinig om trots op te zijn. Vroeger kon je met een lbo-diploma meteen de arbeidsmarkt op. Dat kan nu niet meer. Voor een startkwalificatie moet je nog minstens twee jaar doorleren op een mbo. Dan geef je een raar signaal aan kinderen af. Ze halen een diploma, maar het is nog niks waard en de aansluiting met het mbo deugt nog van geen kant. Roc’s zijn onoverzichtelijke leerfabrieken. Tegelijkertijd is de aandacht voor algemene vakken wel gegroeid, maar daar valt weinig eer te behalen. Die vakken vormen een slap aftreksel van de havo. En daarin zullen vmbo’ers ook altijd lager blijven scoren. Een belangrijke doelstelling: het tegengaan van statusdaling van het lager beroepsonderwijs is mislukt.”

Uit jullie boeken blijkt dat problemen te lang zijn ontkend door bestuurders. Er hangt een deken van politieke correctheid over het vmbo. Hoe verklaren jullie dat?

Vink: “Mensen die het in Nederland voor het zeggen hebben, komen niet op vmbo’s en kunnen in de comfortabele overtuiging leven dat er niet veel aan de hand is op zwarte scholen.”

Van Daalen: “Ik ben het met Anja eens. Het vmbo ligt buiten het gezichtsveld van veel spraakmakende mensen. Het geprivilegieerde deel komt er zelden mee in aanraking. Het is een school voor andermans kinderen. De blinde vlek komt ook door de focus op het algemeen vormende onderwijs. Alle aandacht is gespitst op cognitieve vaardigheden. Daar is het hele onderwijssysteem van doordrongen. Waar je echt moet zijn, dat is de havo en het vwo.” Vink: “Ja, dat beschrijf je heel mooi in je boek. De standen binnen het Nederlandse onderwijs zijn nog heel duidelijk zichtbaar. Terwijl het toch ooit de bedoeling was door het onderwijs die verschillen te verkleinen. Van Daalen: Dat klopt. Vanaf 1900 wordt de maatschappelijke ongelijkheid in Nederland steeds kleiner. In het onderwijs vindt dan een enorme emancipatie plaats. Maar met de grote golf van gezinshereniging in de jaren tachtig neemt die ongelijkheid weer toe. Sterker nog: het mag ook weer. Was het onderwijs eerst nog bedoeld om de verschillen te verkleinen, nu mag je excelleren. De nadruk op selectie is steeds groter geworden en dat gaat ten koste van de aandacht voor de motivatie en ambitie van leerlingen.”

Vink: “Ik denk zelfs dat je de tweedeling bijna demografisch kunt bekijken. In tijd dat Nederland zijn voortgezet onderwijs verbouwde, groeide ook het aantal leerlingen met een niet-Nederlandse afkomst. Dat begon in de jaren tachtig tijdens die enorme crisis. De groep allochtonen die toen binnenkwam was nog relatief klein. Maar in de jaren negentig is die groei van allochtone leerlingen heel rap gegaan. Sinds begin 2000 heeft de helft van de leerlingen in de vier grote steden een andere huidskleur dan de blanke.”

Van Daalen: “Op een gegeven moment haal jij oud-minster van onderwijs Jos van Kemenade aan en die zegt dat de stratificatie in onze samenleving wordt onderschat. Vink: Ik heb ook het idee dat we in Nederland erg goed zijn in apartheidsdenken als gevolg van onze zuilenmaatschappij. Vanuit die verzuilde gedachte werden ook islamitische scholen opgericht. Maar het verschil is dat in de oude zuilen alle klassen vertegenwoordigd waren. In de islamitische zuil zijn dat vooral de sociaal-ecomisch zwakkere klassen. Ik herkende in Anja’s boek de sociale ongelijkheid en de reproductie ervan.”

Klopt het dat de taalachterstand van veel migrantenkinderen die tweedeling alleen maar versterkt?

Vink: “Zeker. Taal is klassengebonden. Toen ik Nederlands ging geven in de Bijlmer, ontdekte ik dat de helft van mijn klas functioneel analfabeet was. Later hoorde ik tot mijn verbijstering dat het al lang bekend was dat vijftig procent van de leerlingen van vmbo-b en k zijn schoolboeken niet kan lezen. Laat dat eens tot je doordringen. Wat doe je dan op school? De inspectie legt daarvoor de oorzaak bij het basisonderwijs. Maar waarom doet niemand dáár wat aan? De achterstand wordt gewoon doorgegeven van systeem naar systeem. De segregatie wordt bovendien versterkt omdat kinderen al op twaalfjarige leeftijd een richting op worden gestuurd. Op basis van de Cito-toets worden kinderen uit achterstandsmilieus meestal doorverwezen naar het vmbo. Leerlingen worden door deze talige toets niet beoordeeld op intelligentie, maar op taalachterstand.” Van Daalen: “De talenten van die kinderen worden zo miskend. Achter die Citotoets zit een enorme haast die naar mijn idee een sterk klassekarakter heeft. Het achterliggende idee is om gelijkgestemden zo snel mogelijk bij elkaar te zetten, anders worden ze afgeremd in hun ontwikkeling. Zoiets als de middenschool is hier nooit ingevoerd, terwijl de experimenten veelbelovend waren.”

Jij bent een voorstander van de middenschool.

Van Daalen: “In het denken van mensen kun je niet zomaar wat veranderen. In het onderwijsstelsel wel. Ik realiseer me dat het nu een ongunstige tijd is voor een culturele revolutie. Maar ik denk dat je uiteindelijk naar een soort van middenschool toe moet. We moeten af van het onderscheid tussen beroepsgericht en algemeen vormend. We moeten af van het idee dat hoofd en handen gescheiden zijn en dat het hoofd belangrijker is dan de handen. Je moet de horizon van kinderen zien te verbreden.”

Vink: “Maar alleen met de middenschool ben je er nog niet. Daarmee voorkom je geen segregatie. Dat zie je in de VS en Frankrijk. Je gaat je kind niet naar een middenschool sturen in een banlieue. Daarom pleit ik juist voor verdeling van leerlingen op basis van sociaal- economische factoren. Je zet zeventig procent middenklasseleerlingen en dertig procent arme leerlingen bij elkaar. Dat is een prima kleurenblind middel tegen segregatie. Je kunt een kansarme school wel optuigen, maar het grootste deel redt het toch niet. Schaf al die achterstandssubsidies af en geef scholen die willen mengen een bonus. Niet dat een gemengde school het paradijs is. Mijn dochter zit op een gemengd havo-vwo en daar is het af en toe mis. Maar ze leert wel de wederzijdse gevoeligheden, de codes. Ze leert met de verschillen om te gaan en daarmee kan ze zich later heel goed staande houden in onze snel veranderende samenleving.”

Wat is de invloed van artikel 23 van de Grondwet, waarin de vrijheid van bijzonder onderwijs is vastgelegd?

Vink: “Dat artikel wordt vaak verkeerd uitgelegd. Het geeft ouders alleen het recht om een school van de eigen richting te stichten, maar het artikel is inmiddels in de mythevorming verworden tot het volledig recht op de keuze voor een bepaalde school. In de praktijk hebben ouders dat recht niet door lotingen, postcodegrenzen en andere ondoorzichtige selectiemethodes. Ik pleit overigens niet voor de afschaffing van schoolkeuze. De keus hebben uit verschillende schooltypes is een groot goed en bevordert, door onderlinge concurrentie, de schoolkwaliteit. Maar we zullen er wel op een transparante en heldere wijze mee om moeten gaan. Nu zorgt die complete keuzevrijheid ervoor dat het privébelang van een kleine groep mondige ouders boven het algemeen belang wordt gesteld. De plek op een goede school is nu een kwestie van het recht van de sterkste.”

Dit bericht was geplaatst inMijn werk, Publicaties. Bookmark the permalink. Zowel reacties als trackbacks zijn gesloten.