Dracula achterna

De vampier en de spietser

As we wound on our endless way, and the sun sank lower and lower behind us, the shadows of the evening began to creep round us. [...] Suddenly I became conscious of the fact that the driver was in the act of pulling up the horses in the courtyard of a vast ruined castle, from whose tall black windows came no ray of light. […] All at once the wolves began to howl. (Uit: Dracula, Bram Stoker.)

» Download dit artikel als PDF (517 kb)

Wij hebben nog geen wolven horen huilen tijdens onze reis door Transsylvanië. Maar misschien zijn de voortekenen van de duisternis die we tegemoet gaan wel het troosteloze landschap waar we vandaag aan voorbij reden; de afgebrande stukken land, verroeste leegstaande fabrieken, een bedelend zigeunerjongetje dat op het treinraam klopte. Verdacht ook dat er zoveel knoflook zit in de salami van onze Roemeense medereizigers. Gelukkig houdt het de meest beruchte graaf ter wereld nog even op afstand.

Vampierverhalen zijn eeuwenoud. Maar het verhaal van de charmante, maar ook eenzame graaf Dracula uit de Karpaten die zich voedt met maagdenbloed en hunkert naar eeuwige liefde is in 1897 voor het eerst verteld door Bram Stoker. Met zijn occulte fantasieën probeerde de Ierse schrijver tegenwicht te bieden aan zijn door vooruitgang geobsedeerde tijdgenoten. Zijn boek werd een klassieker en graaf Dracula een mythe.

Maar Stokers verhaal bestaat niet louter uit macabere hersenspinsels. De bloeddorstige romanfiguur heeft wel degelijk een historische alter-ego. De Roemeense prins Vlad IV alias Dracula, heerser over de streken Transsylvannië en Wallachije in de vijftiende eeuw, stond model.

De naam Dracula – ‘zoon van de draak’ – heeft de prins te danken aan zijn vader Vlad Dracul die door zijn doelmatige strijd tegen de Turken werd verheven tot de ‘Orde van de Draak’ – een organisatie van ridders die het christendom verdedigde tegen de oprukkende Islam.

Een andere naam die de prins gedurende zijn leven verwierf, is Ţepeş wat Roemeens is voor spietser. Zijn strijdmethodes: het doorboren van vijanden met houten palen en doodstraffen: koken, roosteren, levend begraven, waren berucht en prikkelden Stokers duistere fantasie. Van vampirisme is de prins overigens nog nooit beschuldigd.

Opmerkelijk is dat voor veel Roemenen Ţepeş geen bruut, maar een vrijheidsstrijder is. Hij heeft in navolging van zijn vader het grote Ottomaanse leger de grens over gedreven en recht en orde gehandhaafd. Dictator Ceaušescu, die zichzelf op één lijn plaatste met de heersers van weleer, heeft de imagozuivering van de prins gestimuleerd. In de donkere Middeleeuwen was het in de ogen van de communist gebruikelijk dat elk middel werd ingezet om victorie te bereiken.

De romanfiguur en de legende gaan dus niet bepaald hand in hand. De Roemenen willen geen vampier als nationaal symbool. En de Dracula-toeristen willen hardnekkig blijven geloven in het klassieke griezelsprookje en hopen tijdens hun reis Stokers Transsylvanië te ontdekken waar de Karpaten verlicht worden door de volle maan, wolven huilen en de knoflook voor de ramen hangt.

Bram Stoker heeft de reis naar Roemenië vreemdgenoeg alleen maar denkbeeldig gemaakt en de feiten in zijn boek gebaseerd op archiefonderzoek. En misschien is dat maar beter zo. Het Transsylvanië dat wij en daarmee ook andere Dracula-toeristen leren kennen, is namelijk mooi, vredig, groen, opgesierd met oude Saksische dorpjes en allesbehalve huiveringwekkend.

Waterige goulash

De paar vage sporen die de legendarische Vlad de Spietser heeft achtergelaten, blijken vooral prima aanknopingspunten te zijn om de streek te verkennen. Zo is de middeleeuwse burchtnederzetting Sighişoara, waar het geboortehuis van de kleine Ţepeş staat, een sfeervolle plaats die het goed doet op vakantiefoto’s.

Het geboortehuis zelf is weinig opwindend. Twee verwijzingen onthullen de oorsprong van de trekpleister. Een bescheiden gedenksteen met daarop het geboortejaar 1431 en een gietijzeren draak als uithangbord. Binnen is geen museum, maar een restaurant gevestigd. Een paar restanten van fresco’s waarop Vlads voorvaders te zien zijn, vormt het enige authentieke van het barokke interieur. De schilderingen springen echter pas in het oog als de interesse voor het avondmaal – dé Draculaschotel bestaande uit een waterige goulash met verdwaalde stukjes lever – sterk begint af te nemen. We hadden toch beter de gepaneerde hersens kunnen nemen.

Het rustieke van deze monumentale Saksische plaats is tot ongenoegen van menig bewoner tijdgebonden. In 2003 wordt hier namelijk het eerste deel van het Draculapark geopend en naar verwachting zal het miljoenen bezoekers aantrekken.

Het plan doet een hoop stof opwaaien. De burgemeester hoort vooral de kassa rinkelen en hoopt met de opbrengst van het park de oude citadel te kunnen renoveren. Maar de kerk vreest dat Sighişoara een broeinest van satanisten zal worden en historische puristen waarschuwen voor een nog grotere verminking van Vlad IV als legendarisch figuur. Van bouwwerkzaamheden is overigens nog geen teken te zien.

Efteling-kasteel

Bran Castle, hooggelegen op een rots en omringd door toppen van de Bucegi en Piatra Craiului bergen, is ook vast onderdeel op de route van Dracula-toeristen. Ook hier in de buurt staat een dergelijk pretpark gepland. Dit is namelijk het oord waar vampierfans hopen het enige échte kasteel van de duivelse graaf aan te treffen. Maar ze komen toch ietwat bedrogen uit.

Ooit, héél lang geleden, was de burcht wel in handen van de familie om precies te zijn van Vlads opa Mircea de oude. Maar voor Prins Ţepeş zelf, die veel omzwervingen door Roemenië heeft gemaakt, was het hooguit een tijdelijke verblijfplaats. Bekend werd het Bran Castle, omdat het Vlads best bewaarde pleisterplaats is.

Echt griezelig is Bran Castle niet. Met de wit gepleisterde muren en rode torentjes heeft het meer weg van het Efteling-kasteel van Doornroosje dan van het horrorpaleis van een bloeddorstige graaf. Dit met dank aan koningin Maria, echtgenote van de Roemeense koning Ferdinand die het kasteel in 1920 cadeau kreeg van de stad Braşov en het tot een koninklijke zomerresidentie heeft laten verbouwen.

Alleen de ijzige bergwind, het meest voelbaar boven bij het kasteel, doet denken aan de aanwezigheid van een duistere macht. Eenmaal binnen moet de toerist zich verzoenen met historische ditjes en datjes over het kasteel dat sinds de veertiende eeuw diende om het verkeer over de Bran-bergpas in de gaten te houden. Er staan wat oude kachels en meubels uitgestald.

Het geeft wel te denken dat veel deuren gesloten blijven voor bezoekers onder het mom van renovatie. Zou dat de echte reden zijn? De sarcofaag van opa Mircea moet hier nog ergens te vinden zijn.

In een dorpje verderop zijn we diezelfde middag getuige van een begrafenis. Een zwaar bebaarde priester, gekleed in een traditioneel paars kleed, zwaait met wierook plechtig over het graf. Als we later langs het kerkhof lopen, zien we tot onze verbijstering vier andere nog redelijk verse graven. Een onbehaaglijk gevoel bekruipt ons.

De zon is inmiddels ondergegaan. De toeristenbussen hebben Bran verlaten. Het kasteel zou ’s avonds mooi verlicht zijn, beloofde de hotelhoudster ons, maar blijkt vanavond in het donker gehuld. Misschien omdat het hoogseizoen nog niet begonnen is. Maar waarom brandt dat lampje nog in de torenkamer? Of is het een kaars? De slaap wil die nacht maar niet komen. Vreemde schaduwen tekenen zich tegen de muur van de hotelkamer af. Er fladdert iets tegen het raam.

 

Dit bericht was geplaatst inMijn werk. Bookmark the permalink. Zowel reacties als trackbacks zijn gesloten.