Ontwikkelingshulp: gooi niet alles op een hoop

‘ We moeten het verhaal eerlijker vertellen’

Hulp is verdacht. Hulp werkt verslavend. Hulp houdt dubieuze regimes in stand. En het huidige kabinet lijkt met de aanstaande bezuinigingen er ook vanaf te willen. Weg met die ideologische veren! Weg met politieke correctheid! Maar waarom heeft iedereen het zo gehad met ontwikkelingssamenwerking en is de kritiek zo fel?

Overdreven geloof in de maakbaarheid, paternalisme en superioriteitsgevoel, dat zijn de valkuilen van de ontwikkelingssamenwerking, zo blijkt uit het VolZindebat over de internationale hulpverlening. En dit keer krijgt niet het bedrijfsleven de zwarte Piet. “Er is behoefte aan keihard ondernemerschap.” De deelnemers aan het debat zijn: Willem van de Put (directeur van HealthNet TPO), SP-senator Tuur Elzinga, Josine Westerbeek-Huitink (directeur van Wilde Ganzen), historicus en Elseviercolumnist Arend Jan Boekestijn en Jan Lock (directeur van Stichting Woord en Daad).

De Zambiaanse econome Dambisa Moyo schrijft in haar boek Dead Aid dat ontwikkelingshulp Afrika niet helpt. Het houdt Afrika juist arm, smoort democratisering en werkt verslavend. Ze zegt stop de hulp dan valt de grond weg onder corrupte regeringen en kan Afrika politiek saneren. Terecht of onterecht?

Elzinga: “Het is helaas waar dat er een hoop landen zijn en organisaties, de zogenaamde donor-darlings, die erg afhankelijk zijn geworden. Tegelijkertijd moet je wel onderscheid maken tussen hulp en hulp. Je kunt het niet allemaal op één hoop vegen.”

Westerbeek-Huitink: “Ik vind het wel erg kort door de bocht. Er wordt ook particuliere hulp geboden die wel degelijk de ontwikkeling van de eigen bevolking tot stand brengt. Je moet ervoor zorgen dat mensen dáár aan de slag kunnen, zonder op te leggen hoe het moet. Soms moeten we daarin te betrokken particulieren afremmen. We zien er scherp op toe dat projectaanvragen uit het land zelf komen en de uitvoering door mensen zelf wordt gedaan.”

Lock: “Als je goed luistert naar wat Moyo zegt, organiseert ze haar eigen gelijk. Ze zegt hulp is verslavend. Maar ze definieert wel eerst haar eigen vorm van hulp voordat ze haar statement maakt. De uitdaging is datje op een andere manier kijkt naar hoe je je verhoudt tot armoede. Op het moment dat je vanuit empowerment met mensen omgaat, is dat niet verslavend, maar versterkend en heeft ze per definitie ongelijk.”

Van de Put: “Zij heeft het over één manier van hulp, bilaterale hulp aan regimes die geen good government leveren. Dat daar iets aan moet veranderen, weten we al dertig jaar.”

Waarom is de kritiek op ontwikkelingssamenwerking zo fel en emotioneel?

Van de Put: “Dat zijn koeien die naar de wei mogen na de winterstop. Het mocht nooit en nu is het taboe er afgehaald en kan het niet grof genoeg gaan.”

Lock: “Er is heel lang gedacht in termen van maakbaarheid. We helpen de armoede de wereld uit! Dat hebben we niet kunnen waarmaken. De felheid van de kritiek heeft te maken met teleurstelling.”

Van de Put: “In dat opzicht heeft deze sector zijn eigen valkuil gegraven. Een van de belangrijkste leuzen was: ‘met een tientje helpt u armoede de wereld uit’, Wat een onzin! Onze giften vormden een druppeltje op de gloeiende plaat. Dat wisten we allemaal. We hebben een vals beeld opgehangen. Dan vind ik het meer dan terecht dat we daarop worden afgerekend.”

Met de opkomst van Azië neemt de macht van het Westen af op de wereldmarkt. Toch wordt binnen ontwikkelingssamenwerking nog steeds gedacht dat het Westen superieur is en dus moet helpen. Dat lijkt tegenstrijdig.

Westerbeek-Huitink: “Nee, we moeten niet helpen, maar samenwerken en zorgen dat ze zelf die ontwikkeling ter hand nemen.”

Moeten ze niet gewoon hun eigen broek ophouden?

Westerbeek-Huitink: “Ja, dat moeten ze ook doen. Tuurlijk. Maar daarvoor heb je een goede middenklasse en hogere klasse nodig die zelf ook dingen tot stand kunnen brengen. Zij moeten dat zelf doen. Wij kunnen alleen maar ondersteunen.”

Van de Put: “Het is net als mensen die in prachtige villa’s wonen en steeds een dubbeltje over de muur gooien voor de verschoppelingen aan de andere kant van de muur. Als die verschoppelingen er vervolgens nog steeds zitten, reageren de rijken verontwaardigd: wat een hufters en dat dubbeltje krijgen ze ook niet meer!”

Boekestijn: “Er wordt ook wel eens gedacht dat als je het budget met de helft zou verminderen de pleuris uitbreekt. Dat is natuurlijk niet waar. Goed bestuur ontstaat alleen maar van onderop. Dat kunnen we niet exporteren.” Elzinga: “Het enige dat je kunt doen, is het maatschappelijk middenveld ondersteunen. Daarnaast kunnen we mensen helpen zich beter te organiseren. Dat is de basis voor goed bestuur.”

Van de Put: “We zijn onder het mom van: ‘This is Africa man, you know’, ook te coulant geweest. Dat is ook een vorm van paternalisme. Laten we dat niet meer doen en gewoon op een zakelijke manier zeggen: jij levert en ik lever. Dat doen we nu ook met ziekenhuizen in bijvoorbeeld Cambodja. We kijken aan de uitgang wat er geleverd wordt en dan betalen we pas. Nergens ter wereld bestaat gratis gezondheidszorg. Iedereen draagt wat bij en zo creëer je een systeem waarbij mensen doorhebben dat het in hun eigen belang is om het fatsoenlijk aan te pakken. Dat is volledig universeel en totaal niet cultuurgebonden. Daarvóór ging alles onder de tafel, wisten patiënten vaak op de operatietafel nog niet hoeveel ze kwijt waren en betaalden ze veel te veel.”

Staatssecretaris Ben Knapen, van Buitenlandse Zaken, heeft de ideologische veren van zich afgeschud en kiest voor een zakelijke aanpak. Een goede ontwikkeling dus.

Elzinga: “Ik vind Knapens zakelijke aanpak niet in elk opzicht slecht. Maar zeg: wijzig niet te veel in één keer en zorg voor een beetje continuïteit. Dat zijn mijn hartenkreten. Besef dat je als overheid ook een goede partner moet zijn. Je kunt niet alles radicaal over een andere boeg gooien, dan heb je te veel kapitaalvernietiging op je geweten. Kijk naar het tussentijds invoeren van kortingen op contracten die al lang lopen. Dan betoon je je geen betrouwbare partner.”

Van de Put: “Ik weet dat als ik met de overheid in zee ga, ze in staat is zoiets te doen. Dat is een ingecalculeerd risico. Je kunt niet blijven zeggen: de overheid gedraagt zich slecht, ze gedraagt zich niet als een normale partner in de markt. De overheid is geen normale partner in de markt. Als je zo hard geraakt wordt door een beslissing van een minister dan heb je je eigen zaken niet goed op orde.”

Lock: “Dat is inderdaad het bedrijfsrisico. Ik denk aan de andere kant dat de overheid moet weten hoe lang haar polsstok is en de polsstok niet langer moet maken dan die is.”

Elzinga: “Maar zorg dan voor enige coherentie in het beleid. Neem niet met de ene hand wat je met de andere geeft.”

Wat verwachten jullie van het kabinet?

Lock: “Knapen schiet nu door naar een andere vorm van maakbaarheid. Hij zet volledig in op bedrijvigheid. Onze ervaring is dat als je geen link legt tussen de bedrijfseconomische ontwikkeling in een land en het vakonderwijs je de plank misslaat. Er zijn goed opgeleide mensen nodig. Er moet een verbinding zijn tussen sociale interventies en bedrijfseconomische.”

Westerbeek-Huitink: “Er moeten bruggen worden gebouwd.”

Boekestijn: “En dat kan ook heel goed. De groei in Afrika zit bij het midden- en klein bedrijf en wat helemaal fantastisch zou zijn als MKB Nederland, MKB Afrika en NGO’s bij elkaar zouden komen. Ik droom van een garantiefonds voor het MKB. Want ondernemers die investeren lopen risico. Dit fonds, waar de overheid garant voor staat, is alleen bedoeld voor projecten waarvan we zeker weten dat het Afrikaanse werkgelegenheid oplevert. We zitten hier niet het bedrijfsleven te spekken. Maar we hebben wel keiharde ondernemers nodig die zeggen daar is het gat, daar spring ik in. Ambtenaren kunnen dat niet, daarvoor zijn ze ambtenaar geworden.”

Van de Put: “Maar verwacht ook niet té veel van het bedrijfsleven. Je bent ondernemer geworden om geld te verdienen. Niet om de armoede in Afrika op te lossen. Als we dat nou eens erkennen met elkaar en iedereen doet waar die goed in is dan kunnen we naar een vruchtbare samenwerking zoeken.”

Hoe kunnen hulporganisaties zich voorbereiden op de toekomst?

Westerbeek-Huitink: “Wij zijn niet afhankelijk van overheidssubsidie. Behalve voor een klein deel van ons programma. Het is belangrijk dat we de particulieren in Nederland aan onze zijde houden en ervoor zorgen dat de capaciteitsopbouw dáár plaatsvindt. Daarnaast is het belangrijk om te laten zien waar je mee bezig bent, dat je transparant bent.”

Van de Put: “Ik vind dat we eerlijker moeten worden. Laten zien wat we doen, wat er misgaat, wat het kost, hoe het geld besteed wordt. Open kaart spelen en mensen geen rare verhalen vertellen. Dat voortdurende paternalisme ‘van zonder ons redden ze het nooit’ moet afgelopen zijn. Dat weten we helemaal niet. Gewoon letterlijk eerlijk.”

Blijven jullie zelf geloven in hulp?

Van de Put grijnst: “Hulp op zich is natuurlijk nooit genoeg om de echte problemen op te lossen. Maar als het gaat om het bevechten van hardnekkig egoïsme en de schandelijke rijkdomverdeling, blijf ik net zo hard doorliegen voor de goede zaak als ik altijd gedaan heb!”

Westerbeek-Huitink: “Ik vind hulp zo’n vervelend woord. Het drukt afstandelijkheid uit en afhankelijkheid. Daar ben ik erg op tegen.”

Elzinga: “Ik blijf erg geloven in internationale solidariteit, in de vakbonden. Dat is ook een welbegrepen eigenbelang. Wij komen op voor jou en dat verwachten we omgekeerd ook.”

Lock: “Als ik het heel kort samenvat: bescheidenheid en gerechtigheid. Die twee woorden. In Afrika, zit veel meer potentie dan we denken. Dat maakt je bescheiden. Daarnaast moet je als organisatie ook heel goed weten waar je eigen kracht zit. Wij moeten als Woord en Daad geen ondernemer worden, daar zijn we helemaal niet goed in. We kunnen wel ondernemers met elkaar verbinden en als dat lukt, trek je je terug. Dat bedoel ik met kracht zoeken in bescheidenheid. En wat betreft gerechtigheid: zolang economische ontwikkeling alleen maar leidt tot verbreding van de kloof tussen arm en rijk zijn wij nodig om dat aan de kaak te stellen.”

Boekestijn: “Zonder moraal gaat het niet. Ik ben heel erg voor regels en toezicht. Ondernemers moeten zich daaraan houden. In Afrika en de rest van de wereld zijn enorme voedseltekorten. We moeten daar écht iets aan gaan doen. In Wageningen wordt graan ontwikkeld waar geen water voor nodig is. Kan dat niet bij elkaar gebracht worden?”

Wat drijft jullie?

Westerbeek-Huitink: “Mijn geloof. Ik ben katholiek. Ik geloof erg in het gegeven dat je je naaste moet liefhebben als jezelf.” Van de Put: “Ik ben het hele jaar door ontzettend boos over de volslagen schandalige, obscene verdeling van welvaart. Ook al zijn het er nog maar 1 miljard die daar onder lijden. Ik vind die miljard mensen héél veel.”

Boekestijn: “Als ik kinderen in Congo als machines zie graven naar eten in een vuilnisbaal van kilometers lang word ik depressief. Ik ben een beetje een gevoelig mens. Vervolgens word ik boos op mezelf, want de mensheid heeft er niets aan als ik depressief word van leed. Dan moet je wat doen. Dat is mijn inspiratie. Ik wil me niet laten verlammen.”

Elzinga: “Ik zie dat mensen afschuwelijke dingen met elkaar kunnen doen, maar ik zie ook een enorm potentieel aan wat mensen voor elkaar kunnen betekenen. Zelfs in de meest fragiele samenlevingen ontmoet je vastberaden mensen die dingen mooier willen maken. Daar haal ik mijn energie uit.”

Lock: “Geloof, hoop en liefde. Geloof voedt mijn hoop. Het werk waar wij inzitten, zou mij makkelijk cynisch maken als ik niet elke dag weer geïnspireerd werd door mijn gereformeerd geloof. Ik zie veel leeftijdsgenoten die heel idealistisch begonnen zijn, maar niet vanuit die bescheidenheid. Sommigen zijn diep teleurgesteld. Niet zozeer in de wereld, maar in datgene waarvan zij dachten: ‘dat doen wij wel even’.”

  • Willem van de Put werkte als medisch antropoloog voor Artsen Zonder Grenzen en werd in Cambodja programmadirecteur van TPO. Terug in Nederland werd hij directeur van Healthnet International, dat later fuseerde tot het huidige HealthNet TPO (een hulporganisatie die noodhulp en structurele ontwikkelingshulp verbindt).
  • Tuur Elzinga is Eerste Kamerlid en woordvoerder Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor de SP. Daarnaast is hij verantwoordelijk voor de internationale vakbondssolidariteit via FNV Mondiaal.
  • Arend Jan Boekestijn is als historicus verbonden aan de Universiteit van Utrecht, columnist bij Elsevier en auteur van ondermeer De Prijs van een Slecht Geweten. Boekestijn is oud-Tweede Kamerlid voor de VVD. Josine Westerbeek-Huitink vervulde verschillende functies bij het CNV. In 2005 werd zij de eerste vrouwelijke vakcentralevoorzitter in ons land. Sinds 1 september 2005 is zij directeur van Wilde Ganzen.
  • Jan Lock is voorzitter van de raad van bestuur van Stichting Woord en Daad (een hulporganisatie op bijbelse grondslag). Daarnaast is hij penningmeester bij de Stichting Gezamenlijke Evaluaties, bestuurslid bij Prisma (vereniging van christelijke NGO’s) en gemeenteraadslid in Giessenlanden.
Dit bericht was geplaatst inDebat, Mijn werk. Bookmark the permalink. Zowel reacties als trackbacks zijn gesloten.